Burger en gemeente zijn tot elkaar veroordeeld

Burger en gemeente zijn tot elkaar veroordeeld

Als ik het beeld oproep van de dia’s van Amersfoort die ik 35 jaar geleden maakte op het beeld leg van de stad anno 2014, word ik geconfronteerd met een wereld van verschil.
Los van alle fysieke veranderingen van de stad, die met al haar uitbreidingswijken een explosieve groei heeft doorgemaakt, heeft zich ook een ingrijpende wijziging voltrokken in de relatie van de burgers met het stadsbestuur.
Een illustratie daarvan krijg ik tijdens een bezoek aan de ledenvergadering van de SGLA, de samenwerkende groepen voor een leefbaar Amersfoort, op afstand het oudste en eerbiedswaardigste burgerinitiatief dat meer dan 20 jaar geleden begon om lokale bewonersinitiatieven te verbinden en te voeden met expertise. Het SGLA begon haar werk in een periode dat ‘inspraak’ van de burger rond overheidsplannen zo’n beetje het hoogst bereikbare goed was. Met onder meer gedetailleerde kennis van zaken rond bestemmingsplannen werd de gemeente menigmaal geconfronteerd met ‘professionele bewoners’, die soms niet schuwden om belangrijke kwesties tot in de Raad van State uit te vechten. Vechten tegen de gemeente was echter niet de core business. Het was eerder het zoeken naar een dialoog met de Raad, ambtenaren en het College om de beïnvloeding zo optimaal mogelijk te laten verlopen. Daar zijn heel mooie samenwerkingsproducten uit ontstaan. Een wandeling door het Waterwingebied laat zien waar dat toe kan leiden.

Voorbode
Het werk van de SGLA vormt de voorbode van de komst van de burger anno 2014 die rond het werk aan leefbaarheid in buurt en wijk op zoek is naar een gelijkwaardige dialoog met de gemeente. De gemeente als partner van de burger in de organisatie van de leefbaarheid van de stad verschijnt op het bestuurlijke toneel. Iets dat 20 jaar geleden ondenkbaar was.
Dat is een wederzijds proces, omdat de overheid werkt aan bestuurlijke vernieuwing, deels vanuit een diep doorvoelde behoefte en deels omdat veranderingen in de organisatie van het sociaal domein de gemeente daartoe eenvoudig dwingen.
In dat proces zijn er meer overeenkomsten te bespeuren. Ik noem het ‘de chaos van de dynamiek’. Het gemeenschappelijk thema dat daarbij hoort is ‘gebrek aan overzicht’.
Ik ken geen burger in de stad die de rijk geschakeerde lappendeken aan bewonerinitiatieven en hun werking overziet. En wat zich precies achter de muren van het stadhuis afspeelt rond bestuurlijke vernieuwing, die ook op afdelingen voor en tegenstanders kent, is zelfs voor raadsleden een grote vraag.

Twee overzijden
In het “Twee overzijden die elkaar vroeger schenen te vermijden worden buren” verhaal zijn we op een cruciaal moment aanbeland.
Concreet: hoe moet de gemeente zich verhouden tot de onafgebroken stroom subsidieaanvragen van evenveel aanbieders die de buurten en wijken willen ‘digitaliseren’?
Daar past maar een conclusie: “Dames en heren, ga maar eens aan de tafel zitten om in samenwerking tot een samenhangend voorstel te komen!”
Concreet: door het ontbreken van kwalitatieve en kwantitatieve criteria om Burgerinitiatieven te faciliteren dreigt er willekeur te ontstaan in de toewijzing van (incidentele) subsidies. Netwerkende initiatieven zonder veel achterban scoren dan gegarandeerd beter dan meer gesloten initiatieven die wel breed gedragen worden. En dat gaat wringen!
De gemeente en de burger zijn tot elkaar ‘veroordeeld’ om binnen de dynamiek van alle transities in het sociale domein nieuwe vormen van partnerschap te ontwikkelen.
Het proces dat daartoe is ingezet is nog te broos om daar voorspellingen over te doen.

Delen
2 december 2014No comments

Geef een reactie